Vlaams-Brabant wil concept voorstedelijk vervoersnet bijsturen

VLAAMS-BRABANT WIL CONCEPT VOORSTEDELIJK VERVOERSNET BIJSTUREN

Ruim een half jaar geleden nam Vlaams-Brabant na grondige analyse een standpunt in over het vele denk- en studiewerk over voorstedelijk vervoer in de brede Vlaamse Rand: 'De provincie Vlaams-Brabant steunt de spoedige realisatie van een voorstedelijk vervoersnet, maar maakt ook belangrijke kanttekeningen bij het voorradige studiemateriaal. Zo wordt te eenzijdig ingespeeld op het verkeer van een naar de hoofdstad, met Brussel als centrum en de (brede) Vlaamse Rand als 'perifeer gebied'.' (persmededeling, 3 november 1998). Op initiatief van Herman Van Autgaerden (VU), gedeputeerde mobiliteit, geeft de provincie nu opdracht aan een studiebureau om dit mobiliteitsstandpunt verder uit te werken. Daarmee wil ze, in het kader van het samenwerkingsakkoord mobiliteit tussen Vlaanderen enerzijds en Brussel en Vlaams-Brabant anderzijds, het huidige concept toch nog fundamenteel bijsturen.

Allereerst kan men zich de vraag stellen of het zinvol is de bestaande pendelstromen verder in de hand te werken. Dit kan, tegen het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV) in, alleen maar leiden tot verdere toename van de mobiliteitsdruk in een reeds oververzadigde streek. De beoogde 'trendbreuk' bestaat dan niet in het terugdringen van overbodige verplaatsingen, maar in een verschuiving in de pendelstroom van auto naar openbaar vervoer. Meer zelfs, deze pendelinfrastructuur dreigt de stadsvlucht opnieuw aan te wakkeren en de Vlaamse Rand verder te verstedelijken en te verfransen, met bijkomende mobiliteitsbehoeften tot gevolg. Een alternatief bestaat erin om arbeid en tewerkstelling ruimtelijk te spreiden, bijvoorbeeld binnen de Vlaams Ruit als stedelijk netwerk op internationaal niveau. Daarnaast moeten meer inspanningen gedaan worden om het 'wonen in Brussel' aantrekkelijker te maken.

Ten tweede is de brede Vlaamse Rand geen doorvoergebied voor pendelaars, maar heeft zij een eigen dynamiek en specifieke mobiliteitsbehoeften. Enerzijds werkt een groot deel van de pendelaars nu al in de Vlaamse Rand en is de situering van Zaventem als internationale poort in de Vlaamse Ruit een belangrijke economische troefkaart. Anderzijds is er de politieke wil om verdere verstedelijking en economische ontwikkeling in de Vlaamse Rand af te remmen en de 'groene gordel' te vrijwaren en te versterken. De interministeriële conferentie voor verkeer en infrastructuur blijft teveel vasthouden aan het radiale concept van voorstedelijk vervoer, dat onvoldoende rekening houdt met specifieke streekbehoeften. In de provinciale studieopdracht staat daarom: 'De plannen van Brussel over een gewestelijk expresnet (GEN) worden kritisch onderzocht en bijsturingen worden voorgesteld.'

Zo dient onder meer gedacht te worden aan een hoogwaardig en frequent openbaar vervoer (bijvoorbeeld per sneltram) tussen kernen (Halle, Dilbeek, Asse, Vilvoorde en Zaventem). Op ruimere schaal moet de spoorverbinding van Leuven over Mechelen naar Aalst verder uitgebouwd worden. Voor de minder spoorontsluitbare gebieden, met name in noordelijk Vlaams-Brabant, Pajottenland en de Oostelijke Zennevalei, moet een evenwaardig alternatief gezocht worden. Hoge frequentie, autonome doorstroming en verhoogd reiscomfort moeten daarbij voorop staan. De realisatie van het voorstedelijk vervoersnet moet evenwichtig gefaseerd worden en geflankeerd worden met maatregelen op het vlak van parkeer- en locatiebeleid. Tenslotte vraagt de provincie waarborgen voor de naleving van de taalwetgeving. In de provinciale studieopdracht is uitdrukkelijk gesteld: 'Het voorstedelijk vervoernet moet bijdragen tot het Vlaams karakter van de provincie.'

In het kader van het ruimtelijk structuurplan Vlaams-Brabant schreef de provincie recent ook een studieopdracht uit over het locatiebeleid. In deze studie zullen criteria worden bepaald om de vestiging van mobiliteitsaantrekkende activiteiten te verzoenen met de vereisten van een duurzame ruimtelijke ontwikkeling en mobiliteit. Het is dus de bedoeling om het evenwicht te bepalen tussen mobiliteitsbehoeften van activiteiten enerzijds en multi-modale ontsluitingsmogelijkheden van de vestigingsplaatsen anderzijds. Het aldus ontwikkelde beleidsinstrument maakt een zinvolle beoordeling mogelijk van zowel de individuele vergunningsaanvragen als het voeren van een globaal planningsbeleid, zoals de afbakening van specifieke zones. Er zullen tenslotte ook voorstellen gedaan worden van in het provinciaal ruimtelijk structuurplan op te nemen indicatieve en bindende bepalingen.

Leuven, 2 juni 1999.

Herman Van Autgaerden

gedeputeerde mobiliteit